‘Even’ een backup maken van de informatie op je telefoon, dat wordt steeds moeilijker. We bewaren steeds meer
foto’s op onze smartphones en in de cloud. We gooien niks weg, we hebben een hele lijst aan foto’s, waarvan veel dezelfde kiekjes die snel achter elkaar zijn gemaakt. Wat doen we onszelf -en al die datacenters- aan? Waarom is digital hoarding zo normaal geworden?
Stacks op stacks op stacks
Je kunt natuurlijk het meest overduidelijke zeggen: omdat het kan. We hoeven niet meer te denken aan 24 foto’s op een rolletje, we kunnen achter elkaar blijven doorklikken en dat doen we dan ook volop. Soms gaan we op een lange vlucht nog wel even door al die losse
foto’s en halen we de dubbelen eruit (waar Google binnen Foto’s ook bij helpt met de ‘stacks’, de stapeltjes van dezelfde foto’s waar je de beste makkelijk uit kunt pakken om de rest met een druk op de knop te verwijderen. Maar steeds vaker laten we het zitten en eindigen we met stapels aan foto’s.
Er zijn echter meerdere redenen waarom we al die foto’s bewaren. Dat heeft ook te maken met keuze en zoeken. In bijvoorbeeld Google Foto’s kun je gewoon op een woord zoeken, een datum of een plek, en dan krijg je foto’s te zien. Misschien bewaren we ook te veel foto’s omdat we nog eens keuze willen hebben, als we weer eens een throwback Thursday-post op sociale media willen zetten of de foto misschien wel gebruiken voor werk.
The brain eats last
Mensen maken als ik met ze ga eten vaak de opmerking: ‘Ah, the camera eats first!’ En ergens klopt dat: ik fotografeer inderdaad vaak eten en cocktails als ik op pad ben. Toch is dat niet waarvoor mensen denken. Het is niet dat ik op Instagram wil flaunten met de zoveelste gegrilde bloemkool die ik als vegetariër wegwerk. De foto’s zijn een geheugensteuntje. Als iemand zegt: “Ik ga op vakantie naar Engeland, waar in Londen kan ik zijn voor een goede cocktail?” Ik kan dan gewoon in mijn cameraroll kijken en dan weet ik weer: oh ja, dat was een goeie, die Sweet Caroline toen bij Bread Street. En dan kan ik het aanraden.
Bovendien is foto’s gebruiken als een soort digitaal geheugen ook een soort digitaal herinneringsboek. Als je de foto ziet, dan word je soms weer helemaal naar dat moment teruggetransporteerd. Je weet soms zelfs weer hoe iets proefde of rook. Je weet weer met wie je was, waar het was, enzovoort. Dat is in ieder geval hoe bij steeds meer mensen foto’s zijn gaan werken. En ja, dan is het niet zo erg dat er soms meerdere foto’s zijn die op elkaar lijken, al zouden het er best wat minder mogen zijn.
Ook op basis van één foto komen herinneringen vaak al terug, je hoeft niet elke hoek te hebben. Want ja, en dat sneden we net al even aan: al die data kost ook veel energie, om op te slaan in de cloud, maar ook om telkens weer op te roepen als jij zoekt in je cameraroll. Soms betaal je voor die opslag en dan vind je dat je het ook moet gebruiken, maar het is natuurlijk alsnog niet zo goed voor de natuur, het laden duurt lang en zo zijn er meer redenen om misschien toch iets minder opslag te willen gebruiken.
Een overvolle digitale leefomgeving
Bovendien speelt er nog iets: uit onderzoek blijkt dat we zelf ook niet helemaal happy worden van al die digitale bagage. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat een overvolle digitale leefomgeving, van een overvolle
Gmail-inbox tot dus zo’n flatgebouw aan foto’s om je heen. Het schijnt zelfs eenzelfde stressreactie te kunnen geven als wanneer je huis rommelig is. Daarom is ‘ontspullen’ ook als het om je digitale spullen gaat, af en toe echt zo slecht nog niet. Zo bewaar je dat -even helemaal Marie Kondo- waar je blij van wordt, maar kun je wesmijten wat toch als een blok aan je been voelt.